Vriend (’05)

Om 21.30 uur, als de zon juist is gerijpt tot een mandarijn op weg naar Workum, kom jij  weer aan – m’n zwartgevederde.

Je hipt de tafel op -een dansje daarna zit er alleen in als je je onbespied waant- en richt dan een strak kraaloog op mijn glas met toebehoren: de Beemsterkaas beroert je toch al onbetamelijke eetlust.

Twee voor fatsoen té gretig aanvaarde brokken later neem je eigenlijk geen genoegen met het ontberen van een derde stuk -en laat de lente ui maar zitten-, dus kom je verontwaardigd zwijgend nader tot je priemende afkeuring nog slechts een 60 centimeter hoeft te overbruggen.

Oprechte verontschuldigingen mijnerzijds, “Op?!”, “Écht!”, vermurwen je ten laatste: drie pasjes terug en met de kop scheef bij een omhooggestoken oranje snavel drukt je korte knik en verdere lichaamstaal helder uit: “OK dan, maar ik kom terug!

Je staart nagestaard hef ik mijn laatste restje port:

Vriend!

 

(ode aan onze huismerel, Elahuizen 27-7-2005)

 

Plaats een reactie