Godspraak

Subtitel: “Lourdes” bestaat deze week 50 (60?) jaar, maar – hebt u écht een Bernadette nodig om wonderen te zien ..?

 

Vandaag (weer eens) god gezien.

Hij (zij/het?) toonde zich nu in de vorm van de ondergaande zon, precies tussen de oude hulst en de stam van een Methusalem onder de eiken.

“Wat vind je ervan?”, vroeg god me.

Ik voelde wel dat hij (zij/…) niet zozeer doelde op het meest recente gebrek aan verrichtingen van het kabinet B…, noch op de hardnekkige pogingen van ene Peter R. de V. om zich over de ranzige ruggen van zich misdragenden in de kijkert te spelen, maar wat hij ( zij/..) dan wél bedoelde..?

“Waarvan?”, luidde mijn wedervraag daarom. Alleszins voorzichtig, want een godloze aanbidder als onderhavige houdt z’n kruid natuurlijk nadrukkelijk droog jegens het Hogere.

“Wat zíe je?”, sprak de zonn(ig)e god hierop.

Ik kéék en zag:

-goedgeschorste dennenstammen statig ten hemel reizen

-ontelbare naalden onbeweeglijk tegen afnemend blauw geëtst staan

-en naast nog meer van dit soort beelden van onbeschrijflijke schoonheid voelde ik een keur van geuren en geluiden m’n zintuigen bestormen.

Ik vertelde hem (haar/..) dit.

“Neem nogmaals waar”, resoneerde het nu als opdracht vanuit m’n navel naar het schedeldak.

En ik zag hoe het rood-goud van de westzijde op de stammen verliep via oker naar omber tot ruim 3/4 van de stamdikte om vervolgens in lichtbruin/zilvergrijs te eindigen aan de oostzijde.

Ik nam waar hoe geuren, kleuren en geluiden me voorbij het kennelijke maximum aan capaciteit vulden en vervolgens overweldigden; en weer vervloeiden, mét steeds meer beelddetails, tot één bonte zintuiglijke explosie: alle zintuigen op tilt. Om daarna alsnog te kalmeren tot een stille vloeibare volheid – die zich echter laat begrijpen, noch overdragen.

Na een tijdje louter indrinken van indrukken en daarna weer bijkomen, haalde ik adem en antwoordde als in een zucht op de eerdere vraag die dit alles bewerkte: “Ik heb waargenomen, maar kan van wat ik weet bijna niets beschrijven”…

God glimlachte zeer vanuit de diepe blos die inmiddels de zijne (hare/..) was en nu zag ik dat hij (zij/..) het karakter van een spiegel had. Wie naar wie keek en van waar en wie een vraag kwam deed er niet meer toe. Alles en allen inéén.

 

“Schepping, schepper, geschapene, gelijk, geluk en zijn is alles hetzelfde” hamert van rechts een Specht.

En ik weet dat hij gelijk heeft, maar kan wat ik weet niet vatten.

Licht verward daal ik af.

En slaap geweldig.

Leef enorm.

Gode zij dank.

Plaats een reactie