Koet .

Goedemiddag!
Mag ik me even voorstellen: Koet is de naam, Ko Koet.
Geef me een vlerk zou ik willen zeggen, want –u raad het reeds- ik ben een zwemmer.
Donkerantraciet met een witte bef, maar dan op het voorhoofd, om u te dienen.
Ik ben er eentje van Zes,; “Zes in ’t nest da’s opperbest!”, placht mijn vader Kor M. Koet sr. Daarover te zeggen. Een volle bak thuis dus. Prettige jeugd wel ook, niks mis mee.
Inmiddels echter heb ik door schade en schande een behoorlijk zelfstandige positie opgeboouwd. Meer en meer eigen meer, zogezegd. Goed bewaakt en verdedigd; laat mij maar schuiven – desnoods dwars door de oppervlaktespanning (grapje!).
Maar ja zoals jullie, lange bleke en vooral bij voorkeur dróge zoogdieren, ook wel zullen ervaren: leven is verandering – en het is dus áánpassen geblazen.
Ik merkte dat hier vooral in ’t natte vlak, want de enige “grond onder de hoeven” is voor ons, drijvenden, natuurlijk het wateroppervlak tegen de borst- en buikveren en de natte weerstand tussen de zwemtenen…
Nu zijn en waren wij Koeten over ’t algemeen niet alleen nogal tevreden met ons bestaan: wij koesteren zelfs onze Roots; mijn lijfspreek is derhalve: Hoe meer Meer, hoe meer Koet!
Dit koesteren van de Roots en de mede daarop gebaseerde basale vrede met het bestaan, is meer dan ik van jullie droogbleken kan zeggen.
In mijn jeugd ontmoetten wij elkaar nog min of meer op gelijk niveau: ik in mijn element en vrij drijvend en jullie met enig kunst en vliegwerk in toch nog doeltreffend eenvoudige hulpmiddelen als kano en roeiboot.
Inmiddels is deze “ontmoeting” alleen nog kortdurend mogelijk als ik nekverrekkend omhóóg kijk gedurende het moment dat jullie in soort planerende straaljager het wateroppervlak en alles wat daaronder ligt lange tijd in ongerede brengen – gore dampen achterlatend.
Sedert enige dagen blijkt uit de toenemende frequentie van de hierboven beschreven ongemakken dat het seizoen van onze winterse rust in ons vertrouwde plassencomplex, waar jullie de bevreemdende, want juist ‘grondse’, naam “Oude Venen” aan gaven, hier bij Eernewoude weer geruime tijd voorbij zal zijn, dankzij sterk dominerende drooglopers in wildvreemde zwempootloze drijfconstructies.
Zojuist passeerde mij bijvoorbeeld een metalen doordrijfding met stinkstuwing getooid met de onbegrijpelijke naam “m.s.HOOITE”, getuige een achterschild overwinterend in het nabijgelegen Terherne. Aan boord ontwaarde ik een zilvergetooid droogbleek vrouwtje met wat konenrood en een witgekroond mannetje van dezelfde soort. Laatstgenoemd schepsel meende minzaam op mij te moeten neerzien, terwijl ze luidruchtig langspoeterden en leek mij daarbij zelfs uit de hoogte groetend toe te knikken…

M’n zwempoten!
Rot op zeg. Ronk weg!
Ik wóón hier – wat denken ze eigenlijk wel?!
Enfin (zucht) nog een maand of vijf en dan is de wereld weer zoals die hier hoort.

Allochtonen, Bah!

Joop, d.d.16.04.2008

(Naar aanleiding van een Meerkoet bij Earnewâld die mij in de ochtend van 15 april 2008 in reaktie op mijn groetende knik bijzonder streng en onbewogen aankeek en
zich daarna geërgerd leek af te wenden… )

Plaats een reactie