In museum “Speelklok” aan de Steenweg trof ik een historisch stoeltje aan voor peuters.
Het was een muziekstoeltje – om ‘af te koelen’.
De ondeugend geachte peuter werd, in een rustig hoekje, op dat stoeltje gezet.
Zodra het kleutergewicht op de zitting druk welt er een traag voortkabbelend, hoogst kalmerend, muziekje op van onder zijn of haar zitvlakje.
Dit meubelstuk bracht een keten van gedachten bij mij op gang.
Want je weet hoe gedachten kunnen gaan:
ze vormen een vrijwel onbestuurbare keten van spontaan in elkaar klikkende
schakels en trekken daarmee een waar spoor door het brein.
Ook als de schakels zélf totaal niet sporen trekken ze toch zo’n spoor.
Aan het eind van die keten bevond zich bij mij een herinnering aan mijn oudste zoon.
Hoe hij een kleine 40 jaar geleden, bij verschijnselen van drift, op de onderste traptrede zijn al te onstuimig gedrag van zich af moest zien te zitten.
Die traptrede was niet voorzien van een kalmerend deuntje.
Hoewel dat toch al een eeuw eerder bleek te zijn uitgedacht had deze zorgzame vinding ons, jeugdige ouders in de zeventiger jaren, niet bereikt.
Mijn zoon had trouwens genoeg aan een zwijgzame trede.
Het herstel ritueel kende drie fasen.
De eerste daarvan doorliep hij buiten onze directe aanwezigheid: van diep verontwaardigd briesen uiteindelijk overgaan tot zacht wrokkig monkelen doet hij geheel in eigen beheer.
De tweede fase zag er doorgaans als volgt uit:
langzaam gaat de klink van de kamerdeur bij de hal omlaag, waarna die deur voorzichtig opengaat en traag wijder kiert.
Laag in de zo ontstane deurspleet verschijnt nu een bleek, verbeten ogend, kinderkopje.
Het zegt: “’t Is over!” – kortaf en met tandgesloten nadruk.
Deze mededeling en vooral de klankleur daarbij leidde bij ons, absoluut liefhebbend doch op dat moment vooral in de opvoed-modus, steevast tot het antwoord: “Ik geloof het niet…”
Waarop de deur zich sluit. Licht verbitterd sluit, zo dat voor deuren mogelijk is.
Enkele minuten later zet dan de laatste fase in:
de deur draait, zo mogelijk nóg geluidlozer open. Deze keer ook wat guller open.
Er stelt zich een knulletje in het gat op en er wordt naar omlaag gekeken en even gezwegen.
Dan volgt een aarzelend stemmetje, dat met licht vragende ondertoon vaststelt: “Nu wél?!..”
Du moment werden wij dan weer die hele goede vrienden die we al die tijd natuurlijk al wisten dat we waren en die we door de tijd heen -dus altijd- zijn gebleven.
Alles vernieuwd én bij het oude gebleven, zoals het hoort tussen mensen van goede wil.
Tussen ons is dat dus nog zo.
Alleen ben ik heden ten dage dat laag geplaatste gezichtje,
want als die zoon nu weer eens welwillend life naar mij omkijkt – betekent dat voor hem al jaren steevast: omlaag zien – met zijn 1.89