De winst van eindeloos verliezen is het beséf dat het ‘verliezen’ eindigt zodra je ophoudt te denken in termen van winst.
Er zijn vast heel wat ervaringen die je tot een dergelijk inzicht kunnen brengen natuurlijk.
De mijne zijn buitengewoon platvloers: ik veeg me ritmisch uit de naad om de ruimhartige kubieke meters dennennaalden, -appels, eikenblad en –kels regelmatig te verwijderen van terras en gras.
Zelfs iets simpels als het bereikbaar houden van de voordeur vergt hier in zekere jaargetijden simpelweg weerkerende aandacht.
Denkend in termen van ‘winst en verlies’ verlies je altijd: even wat windvlagen en/of een regenbui en je ziet de volgende dag niets terug van de inspanningen in de vorige.
Zó denkend is dus sprake van ‘hopeloze arbeid’ of ‘onbegonnen werk’ (merkwaardig trouwens dat blijkens dit taalgebruik iets dat ‘onbegonnen’ is al als zinloos werd afgedaan…?!).
Maar wat blijkt? Du Moment dat je de idee van resultaat als belangrijkste drijfveer loslaat wordt diezelfde arbeid plots ervaren als ‘gezonde lichaamsbeweging’ en ‘lekker even de tuin in’.
En past zij naadloos in de bloeiende praktijk van ‘afzien = rijkdom’ en ‘minder = mooier’ die wij zo heerlijk gaandeweg ontwikkelen.
(De moeilijkheidsgraad van het werkelijk loslaten is natuurlijk de drempel die je over moet om je de wijsheid die daarachter ligt al oefenend eigen te kunnen maken.)
De ontdekking van deze ‘Bourgondische’ componenten in “laat maar gaan” kwam me onlangs weer zeer te stade: want ook wij hadden een leuk bedragje nabij Reykjavik gestald tegen de daar geldende prettige rente (…) Nadat we dus via de Media mochten vernemen dat we die somma -waar we ondermeer van hoopten te leven tot mijn 65ste – gevoeglijk op onze weldoorvoede buikjes konden schrijven, lag ondergetekende van dit besef wakker.
Heel even maar. Want na een minuut of twintig al was daar de conclusie dat ook hierbij geldt: wie niet strijd, verliest ook niet. Gewoon ‘loslaten’ dus. En verdomt: binnen 5 minuten sliep ik gelijk de roemrucht geworden roos.
[En ziet: amper twee dagen later verklaarde men zelfs mijn inmiddels opgegeven probleempje in het geheel niet bestaand…]
Minder is dus niet alleen mooier.
Minder genereert ook ‘verlichting’.
(En deze laatste constatering geve men vooral de verdiende gelaagdheid!)
Voortschrijdend inzicht:
Op de stereotiepe vraag (aan een zojuist werkgestopte): “Wat doe je dan zo de hele dag?” antwoordde ik eerst nogal eens: “Niets”
Later werd dit: “Ik breng de dag door”
Nu is “Ik Ben” het meest correct.
Het volgende is ook allebei waar:
Nietsdoen is onmogelijk.
Nietsdoen is veel werk.
Ter illustratie van enige zendingsijver mijnerzijds in dezen hieronder de ‘Brief aan een Vriend’.
Een zeer goede vriend van ons besloot tot ons genoegen enige tijd in ons boshuisje te toeven terwijl wij de oevers van la Méditerrannée afstruinden. Hij is nog niet zolang geleden gestopt met (betaald-)werken en denkt nog dikwijls over z’n nabije toekomst na in termen van “doén”.
Bij aankomst in ons Chalet trof hij de volgende brief op tafel aan:
– – – – – – –
Beste ( naam ),
Mocht je tijdens je verblijf in onze Kabouterstee nog immer behept blijken met een wat te zeer beperkt vermogen tot nietsdoen, dan stel ik voor dat je de blik regelmatig op het, op zich zo liefelijke, terras werpt.
Je zult ontdekken dat een in deze tijd van het jaar niet aflatende regen van naalden (en dennenappels en eikels) je tot een regelmatig végen als het ware dwingend uitnodigt.
Het merkwaardige aan dit vegen is ondermeer dat het tegelijk nodig én zinloos is: erná lijkt het terras zoveel bruikbaarder, terwijl luttele dagen later het resultaat van je eerdere inspanning zelden nog waarneembaar is.
De gestage val van de naalden en de onontkoombare hoeveelheid in een bepaalde tijdseenheid, versterkt door hun trotse vorm – de V van Victorie, ze wéten dat ze aan het langste eind blijven trekken!- schotelen je per direct al een vermoeden van eindeloze herhaling voor.
Het feit dat het naast deze naalden, die immers het afsterven symboliseren, tegelijk óók gaat om dennenappels en vele, vele eikels – waarmee de eindeloze voortgang en hernieuwing van het leven naar de toekomst weer wordt gebeeldhouwd – rekt dit begrip ‘eindeloos’ al gauw stevig door in de richting van ‘eeuwigheid’.
Flink voorbij “wij, hier en nu” in elk geval.
Voor mij heeft ook dit profane bezig zijn bijgedragen aan deze groeiende én groeizame ervaring: bij veelvuldige koppeling van de gedachte “zinloos” aan kennelijk tóch te waarderen handelingen, duikt een – contemplatieve- méérwaarde op in de geest, het ongerijmde blijkt toch te rijmen.
Het vegen raakt lós van enig te bereiken verderop gelegen doel.
Het wordt in zichzelf nuttig..
– Zélfs als wordt besloten het na te laten…
(Wellicht komt hierin de ware zin van het aloude “monnikenwerk” ons nader?)
Na deze waarnemingen enige tijd verinnerlijkt te hebben kan men met vreugde de bezem ter hand nemen zónder ook maar enige gedachte te wijden aan bijvoorbeeld een voorspelde hardere wind en bijgevolg toenemende bestrooiingsverwachting, morgen.
Dat dóet er niet meer toe.
Ook het schone terras doet er eigenlijk niet toe.
– Zélfs niet als er dit wél met waardering wordt waargenomen…
Het vegen zelf strekt tot lust.
Het resultaat op het terras ook.
De langzaam toenemende noodzaak tot herhaling eveneens.
De oneindigheid van dit proces evenzeer.
En de herhaling tot in de eeuwigheid –een begrip dat terloops ook weer aan gestalte wint!- al helemaal.
“Vegen tot je er bij neervalt” is voortaan dan ook af te doen als een ongerijmde zinsnede.
Een inhoudsloze tekst.
We vegen natúúrlijk tot we ons er (ooit) bij neerlèggen.
Dán gaat een ander verder en zijn wij bijgevolg klaar.
Tót die tijd is vegen gewoon vreugde.
Omdat leven bewegen is.
Ondermeer in adem en seizoenen.
We vegend dus evenzeer in leven blijken dan bijvoorbeeld fietsend of zonnebadend.
Of louter ademend.
Stel jezelf nu (weer) eens de vraag:
waarom moest je ook alweer zo nodig iets doén?
Als elk antwoord je nu op voorhand min of meer zinloos voorkomt,
ben ik blij je te hebben geschreven.
En kun je gerust gaan vegen.
Of ook in ‘t geheel niet.
Aldus wens ik je een heel hoog ‘Kaboutergehalte’ in onze Woudstede, Joop