Het is weer eens tijd voor een weekendje rust en ruimte, en omdat de tijd maar beperkt is, en het budget al evenzeer, doen we dit weekend gewoon de Veluwe. Onder het motto: “dichtbij kan ook heel mooi zijn” willen we het gebied tussen Ede (mijn woonplaats) Arnhem en Apeldoorn onveilig gaan maken. We hebben ongeveer uitgerekend dat we de eerste dag pas laat in de middag beginnen, eerst met de trein naar Rheden (bij de Posbank) en dus hooguit een kilometer of 20 zullen lopen, De 2e dag doen we er wel bijna 40, en lopen we terug naar huis.
Vrijdagmiddag tegen een uur of 5 weg, eerst nog even langs de supermarkt voor een lekkere zak krentenbolletjes (een mens kan tenslotte niet leven van alleen maar hartkeks, bifiworstjes, knakworstjes, m&m’s pepernoten, noodles, spaghetteria, snoep, een blik stevige soep, en cup a soup (3 verschillende smaken) ) Ook nog even bij de koffie automaat wat zakjes suiker en melk mee, dat mag, ik werk daar tenslotte, en daarna de trein in naar arnhem, en vervolgens de stopper naar rheden. Mensen kijken je blij aan als je je in de spits met een rugzak probeert een trein in te worstelen… Een man opperde dat we wel een kaartje voor die “hutkoffers” konden kopen, ze namen tenslotte een hele zitplaats in beslag. Vriendelijk aangeboden om het zooitje dan maar bij hem op schoot te gooien, maar dat hoefde hij niet. De ruimte is nou eenmaal beperkt in een trein rond deze tijd van de dag…
In Rheden, alle riempjes en bandjes strakgetrokken, waterzakken geinstalleerd, en windstoppers aan. Het waait best flink, dus schraal. Snel een zijpaadje van de weg naar het bezoekerscentrum bovenop de posbank, en over de golvende heide naar de parkeerplaats bij het bezoekerscentrum. Vanaf daar gaan we het bos in en lopen we het herikhuizerveld over. Over het hoogste punt van de veluwe, met 104 meter (geloof ik) toch letterlijk een hoogtepunt van deze tocht. Vervolgens komen we ook nog een kudde bizon-achtige koeien tegen, heb ze ook wel eens gezien tijdens het biken hier. Fantaseren over hoe die gevaarlijk uitziende Schotse Hooglanders zouden smaken, misschien wel net zo lekker als bizon? Toch maar niet op jacht gegaan, je moet alles wat je niet meteen opeet ook allemaal meeslepen he…
Ergens in de Imbos onze spaghetteria opgegeten, las gisteren thuis in de Kampeer &Caravan Kampioen een test van kant en klaar maaltijden, en knorr spaghetteria was een van de betere (lees: Minder slechte) Het was inderdaad prima te eten, lekker licht en een goede maaltijd voor een persoon. Het zakje beweert hier overigens dat er 2 personen van kunnen eten, dat zijn dan zeker geen hongerige hikers!! Ik voelde me met een zakje nog niet propvol. Omdat het snel koud wordt als je niet eet of loopt, snel weer verder richting Loenermark. Daarna via een laatste stukje hei en de groenendaalse weg oversteken langs een huisje in het bos waar we mensen hoorden praten (boswachter?) richting de wildwissel bij de Woeste Hoeve. Bert leek het geen goed idee om midden op de wissel te gaan staan, ivm gnoe’s en bizons die je tent overhoop rennen, dus bleven we er een kilometer vandaan staan, op een open strook land waar een hoogspanningsleiding overheen liep. Hier eerst nog maar eens koffie gemaakt, en toen gekeken naar een plekje voor de nacht. Eigenlijk is het hele veld bultig, zo dicht bij de wildwissel zijn geen gewone paadjes, en wordt er dus ook niet onderhouden. Maar… onder een hoogspanningsmast is het wel vlak! touwtje tussen 2 palen van de mast, poncho eroverheen, klaar. We voelen ons een beetje verraders, omdat we toch niet echt “natuurlijk” bezig zijn zo, maar what the heck, als we onze poncho’s tussen 2 bomen hadden gehangen hadden we ook een dak gehad. Dat touwtje moet toch ergens aan hangen? als het maar werkt! Zo praten we ons gedrag dus een beetje goed… ’s nachts zijn m’n ogen dicht, dan merk ik er niks van dat ik onder 10.000 Volt lig. Die schaamte komt morgen wel… Wat wel vervelend is, als ik m’n telefoon wil unlocken gebeurt er niks. Software vast denk ik, accu los en weer vast doet vast wonderen. Niet dus. OK knop functioneert niet meer, en dan ben je al snel klaar: Je hebt ‘m al meteen nodig als je PIN code ingetoetst is. Misschien iets software-matigs, er rammelt niks binnenin, maar dat zegt oo k niks. Maakt niet uit, back to the basics! Ook wel een keer prettig om een weekendje niet bereikbaar te zijn, en we zijn toch met z’n tweeen, en dan is een telefoon niet zo belangrijk.
Na een prima nachtje, rustig opgebroken en ontbeten. Omdat de schoenen erg koud waren (die waren iets te smerig om in de slaapzak te mogen) zijn de eerste stappen wat stijfjes, maar als het leer warm is (even tenen-wiebelen helpt enorm) gaan we weer. Over de wildwissel, naar Hoenderloo en vandaar het bos tussen Apeldoorn en Hoenderloo in. Er is daar een prachtig natuurgebied, het kootwijker en harskamperzand. Mooi stuk Nederland, alleen jammer dat er door bepaalde mannetjes in groen bruin zwarte uniformpjes een hek omheen gelegd is waarop staat: Rijksschietterrein. Levensgevaarlijk! Verboden toegang! Uiteraard werkt dit enorm afschrikwekkend, en we staan dan ook even te trillen op onze benen. Even zien we dit aan voor vermoeidheid of angst, maar het is geen van beide. Wel een gebrek aan caffeine. Eerst maar weer eens een bakkie leut dus (het is inmiddels 12 uur) en daarna moed verzamelen om dat gebied in te gaan. Na nog even een vader en dochter die met een waardeloos kaartje van 3 bij 5 cm, gekopieerd uit een wandelgidsje lopen van dienst te zijn geweest met onze superiere topodienst kaart kruipen we onder de slagboom door, en sluipen we het gevaar tegemoet…
Het is best mooi lopen, het eerste gedeelte van onze tocht gaat over kleine paadjes en weggetjes, in de verte hoor je af en toe doffe dreunen en kleine rotknalletjes van revolvers. ik opper al dat er in het weekend niet door de heren militairen geschoten wordt, maar dat schietverenigingen die schietbanen huren om hun wedstrijden te houden. Volgens chris zijn er dan altijd nog wel soldaten aanwezig op het terrein, om koffie in te schenken ofzo… Maar dan komen we bij een drukke weg, volgens onze kaart de rondweg om de basis heen. Je kent dat wel: een brede betonnen baan, waar om de minuut een auto voorbij komt… We blijven een poosje achter een omgevallen boom zitten, lekker soldaatje spelen, en zien 2 leger-LARO’s en een aantal burgerautootjes. Na een rustig moment besluiten we achter onze boom vandaan te komen en richting weg te sluipen. Dan zie je ook meteen het nadeel van zo’n brede straat: Als er een auto aankomt kan je nergens wegduiken. weer een legerjeep, snel wegduiken dus. Ik snap nog steeds niet dat die kerel ons niet heeft gezien, echt gecamoufleerd zijn we niet. Als dat ons land moet verdedigen.. We lagen 10 meter van de weg in kniehoog gras! En een dikke rugzak die in je nek vliegt is ook al niet fijn, ontdek ik daarna. Stijve nek! Maar goed, snel oversteken dan maar, en het bos weer in. Na een tijdje een groot Heideveld, vol met schietschijven (niet in gebruik, ook prettig) en tankgrachten. En aan de rand van dat veld, zo’n commando-toren. Nu gaan we eens kijken of er inderdaad niemand is in het weekend, en dus: stug dat veld overlopen. Mocht er een mannetje met verrekijker in die toren zitten, gaat er nu een alarm af en komen ze ons binnen 2 minuten met een YPR van dat veld plukken. Derdegraads verhoren, martelingen, en KGB-achtige methoden staan ons te wachten… Want tja, ik heb een uiterst gedetailleerde kaart bij me, van militaire makelij, en met markeringen van militaire installaties (o.a. de schietbanen en kazernes) Ik zou dus zomaar een russische spion kunnen zijn.
Overal liggen lege patroonhulzen, maar we zien niemand, en dus mogen we aannemen dat die niemand ons ook niet ziet. Hierna nog een veldje over, kopje soep maken in het bos, en dan weer het gebied uit. We komen namelijk hoe we ook lopen vlak langs een aantal schietbanen, en daar zijn ze bezig. En wie wil er nou een gat in z’n slaapzak? dat komt de isolatie niet ten goede. een beetje gevaar\spanning is leuk, maar het moet wel verantwoord blijven. Langs de saaie weg van apeldoorn naar otterlo dus, nog een kilometer of 6 langs de razende N-weg. In otterlo, eerst maar weer eens cup a soup maken, het is tenslotte al 4 uur geweest. Kennelijk is dat een attractie, in een parkje koken, want we hebben al snel 4 kinderen met klompjes aan om ons heen staan. Die vinden het allemaal wel interessant, en een jongetje wil zelfs even de rugzakken optillen. Danig onder de indruk van het gewicht zet hij ‘m weer neer. Soep op, pannetje weer ingepakt lopen we het dorp weer uit. We kunnen nu kiezen voor de saaie route, 9 km langs de weg naar Ede of de omweg door het bos. Omdat m’n voeten pijn doen van al dat harde asfalt, kiezen we voor de zachte weg, door het bos. Het is inmiddels 17.30, en dus begint het al een beetje te schemeren onder de bomen. Hier nog even een kampvuurtje gebouwd, om een blikje knakworstjes op te warmen, en paar krentenbollen erbij. Het is dan wel geen volledige avondmaaltijd, maar we zijn toch over 2 uur thuis. Na nog even de warmte van het vuurtje gekoesterd te hebben, op verantwoorde wijze uitgemaakt (zand erover) en de rugzakken opgehesen voor het laatste stukkie. We vertonen allebei wel een beetje slijtagesporen, hebben bijna 40 km gelopen vandaag en dat is te voelen. Berts z’n riem was iets te stug voor rugzak gebruik, en hij heeft dus beurse heupen, ik heb last van m’n voeten. Nog even Ede-city doorbanjeren, fietsje pakken bij het station, en om 8 uur thuis binnenvallen voor echte filterkoffie ![]()
Al met al een lekker weekendje buiten geweest, geluk gehad met het weer (We waren nog niet zolang binnen of het begon te regenen) en wat is het park “Hoge Veluwe” toch mooi
‘Moet je doen, door de Gelderse poort langs de rivier naar Kleef. Het is een van mijn mooiste wandeltochten,’ zei een vriend ooit enthousiast. Nu pas volgen we zijn advies en lopen vanuit de Nijmeegse binnenstad steil omlaag naar de Waal. De brede rivier schuurt met een wijde bocht langs de gok- en eetgelegenheden op de kade. Hoog boven de rivier staat op de brug te lezen wie van wie houdt. Met ware doodsverachting zijn de liefdesverklaringen op de bogen gekalkt. We gaan onder de brug door en staan opeens buiten de stad. Op nog geen kwartier lopen vanuit het centrum kun je hier al dwalen langs de steile stranden van de rivier. In de verte zien we boven de ooibossen de eerste schoorsteen van een steenfabriek.
Op de dijk staat een streng gebouw van grauwe baksteen. ‘Hollands-Duitsch Gemaal,’ staat er midden op de muur geschreven. Bouwjaar 1933, het jaar dat Hitler Reichskansler werd. Zou hij bij de opening van het gemaal zijn geweest? Later lezen we dat hij werd vertegenwoordigd door de Ober-Regierungspräsident van Westfalen. De nazi’s probeerden zich, ten onrechte, op te werpen als de grote animators van het project dat een eind zou maken aan het gesteggel over wateroverlast tussen beide landen. De Duitse Duffeltpolder moest immers zijn water kwijt door de Nederlandse Ooijpolder. De pastoors van dorpen over de grens werden benaderd om vanaf de preekstoel te verkondigen dat het gemaal aan de Führer te danken was. Dat lukte niet echt.
Op de dijk is het een komen en gaan van fietsers en auto’s, maar de polder ligt er rustig bij. Het felgroene gras, net voor het eerst gemaaid, steekt af tegen schaapjeswolkenlucht. De dijk is nog gehuld in de gele zweem van boterbloem. Dan zien we iets vreemds: een stuk beton dat zomaar uit de dijk omhoog steekt. Onze fantasie krijgt geen kans, een bord legt alles uit: het is een bunker van de IJssellinie. Als de communisten de Amerikaanse atoombommen zouden trotseren moest het water van de IJssel de Russische tanks tot stilstand brengen. Een smalle rivier als de IJssel zou zoiets natuurlijk niet in z’n eentje kunnen. Maar Rijkswaterstaat stond voor niets. Door hier een paar grote caissons de Waal op te varen en tot zinken te brengen, was het mogelijk om al het Waalwater door de IJsselvallei naar het IJsselmeer te persen. Elk kwartaal werd deze manoeuvre geoefend, zonder dat de caissons tot zinken werden gebracht. Zo herleefde hier in onze jeugd nog even de glorie van de Hollandse waterlinies. Tijdens de Cubacrisis werden de eerste stappen gezet om de zaak onder water te zetten. Vijf jaar later was de IJssellinie ontmanteld. Zo snel kan het gaan.
Na de traditionele wandel-Duvel in dijkuitspanning Oortjeshekken komen we in het dorp Ooij. Als de waterstaatsingenieurs hun zin krijgen ligt het in de toekomst zo nu en dan als een eiland in het water. De polder die het dorp omgeeft is opvallend leeg. Op de hoger gelegen dorpjes Ooij en Persingen na geen huis of boerderij te zien. Wie laag in de polder bouwde kreeg het rivierwater over de vloer, ook toen geen graag geziene gast. In de 19de eeuw liet men de Ooijpolder jaarlijks voorzichtig onder water lopen door de dijk te verlagen. Dijkdoorbraken hadden in de jaren daarvoor veel levens gekost en de landerijen met zand bedekt. Door de Ooijpolder als overloop te gebruiken werd de kans op dijkdoorbraken verminderd en kregen de boeren gratis en voor niks vers rivierslib voor een rijke grasoogst. In de toekomst wil de overheid de Ooijpolder opnieuw als overloopgebied gebruiken. Opnieuw om te voorkomen dat de rivier de dijken zal breken.
Grenzen roepen vragen bij ons op. Wat maakt in één Europa, behalve een laatste wegkwijnende grenspaal, nog duidelijk wat tot voor kort verschilde. Ja, de ramen van woningen, daar zijn we het over eens. Maar zijn er meer meidoornhagen aan de Duitse kant van de grens of niet? We komen er niet uit. Een ding is wel duidelijk: de grens is een dijk. In 1835 waren de Duitsers het zat. Als de Hollanders bij hoge waterstand het water de Ooijpolder in liet stromen, moesten zij dat weten. Maar nattigheid wilde ze niet in de Duffelt. Op de grens werd een dwarsdijk, de Querdamm, aangelegd.
Bij het dorp Kerkerdom gaan we de wildernis in en laten het land achter ons, dat op allerlei manieren laat zien hoe de bewoners het moeizame evenwicht met de natuur hebben bewaard. De bloeiende meidoornhaag en de gemaaide wei maken plaats voor pluizend wilgenbos, stuivend duinzand en een Afrikaans ogende savanne. De knaagsporen van de radiogepeilde bever mogen dan moeilijk zijn te vinden, de kudde wilde paarden roept spontaan een oergevoel op. Wat past dat goed onder de Hollandse hemels. De natuur mag in de Millingerwaard weer doen wat het wil, dijken heb je er niet meer. Niet spontaan maar op initiatief van de mens. Je kunt je al heel moeilijk voorstellen dat hier tien jaar geleden nog uitgestrekte maïsakkers en eentonige graslanden lagen. Hier is het gedachtegoed van het plan Ooievaar uit 1986 voor het eerst toegepast. Dit visionaire plan van Delftse en Wageningse ingenieurs koppelde ruimte voor natuurlijke processen in de uiterwaarden aan vrij baan voor de landbouw binnendijks. De kracht van het water moet samen met de grazers het dichtgroeien van de uiterwaarden voorkomen. De plannen voor het binnendijkse lijken nu al achterhaald, steeds meer boeren stoppen ermee. Boven op het rivierduin kijken we uit over de rivier waar de binnenvaart onverstoorbaar zijn gang gaat. Water spat hoog op voor de boeg van een slanke vrachtboot. De vierkante duwbakken ogen daarbij vergeleken maar lomp en onnatuurlijk.
Voorbij Millingen zien we een groepje fietsers op de dijk staan. Daar moet het pontje over de een oude Rijnarm varen. De oevers liggen er bloot bij. Het duurt maar even en dan zijn we al aan de overkant. De veerman heeft nauwelijks tijd om zijn geld op te halen. Eenmaal afgemeerd is er de rust voor een praatje, niemand meer op de dijk die staat te wenken. De rivier lijkt nu een brede sloot waar je met een paar sprongen overheen springt, maar dat is niet altijd zo zegt de veerman. Bij hoog water, wanneer de uiterwaarden onder water staan: ‘Vaar ik helemaal naar het dorp,’ wijst hij in de verte. Dat dorp is Schenkenschanz, eenzaam gelegen op het schiereiland Salmorth. Dat betekent zoiets als het oord waar de zalmen leven. De daken en kerkspits steken boven een aarden wal uit, die op sommige plaatsen met een fonkelnieuwe vestingmuur is verstevigd. Als we het dorpje inlopen door een gat in de muur, komt een bejaarde man ons tegemoet. Hij laat ons zien dat het gat in de muur kan worden afgesloten met een stalen deur. Op de deurpost staat een peilstok. Jaartallen geven aan hoe hoog het water ooit kwam. Het record is in handen van 1995. Toen liep het dorp voor de tweede keer in een paar jaar onder. De bewoners van de Schenkenschanz worden sinds kort in hun strijd tegen het water geholpen door die moderne vestingmuur. Ook vroeger werd het uitzicht al bedorven. Niet door beton maar door een aarden vestingwal. Alleen aan de zuidkant van het dorp is daarvan nog wat terug te vinden. Heel anders dan op oude tekeningen. Daarop maakt de schans met zijn hoge wallen nog een onoverwinnelijke indruk. Op die tekening is ook te zien waarom hier in de wei, zo ver van de rivier een imposante vesting verrees. De Schenkenschanz lag ooit op de splitsing van Waal en Rijn. Die is inmiddels door de mens geholpen een paar kilometer opgeschoven. Buiten het dorp kijken we nog een keer om. Zullen alle dorpen in de Ooijpolder zo’n betonnen ommuring krijgen? Onvoorstelbaar is het niet als je weet hoeveel hier al met water is geschoven.
Over wandelen gesproken,
Je kunt op veel manieren wandelen; recreatief of sportief, spiritueel of ecologisch. In Nederland is dat keurig geregeld. Voor de recreatieve wandelaar zijn de LAW’s van het Wandelplatform of je gaat mee met de Wandelpool. Voor de sportieve wandelaar zijn er de Vierdaagse en de wandelmarsen van de wandelsportbonden. Spiritueel wandelen kun je bij georganiseerde pelgrimstochten en in de buurt van heiligdommen. En ecologisch wandelen doen ze bij de IVN, de KNNV en Natuurmonumenten. Voor elk type wandelaar zijn er belangenverenigingen, boekjes, speciale winkels en een passende outfit. In het volgende artikel wordt gezocht naar een andere benadering van het wandelen; het wandelen niet als een door boekjes en organisaties voorbereide activiteit, maar als een reis in de leegte. Dus een omgekeerde benadering, en een afscheid van het traditionele wandelen.
Etymologisch betekent wandelen ‘blijven wenden’. Wandelen is doelloos, at random, rambling. Lopen is daarentegen doelgericht en nuttig. Het doel van wandelen is impliciet, ‘om te wandelen’, meer niet. Vanouds zijn er twee basisvormen van wandelen: het zwerven (je weet niet waar je uitkomt) en het rondje (de weg weer terug naar huis). Het verschil tussen de nomade en Odysseus. We hebben het allebei in ons. Het begrip levensloop drukt dat al uit: heel het leven is een wandeling; de lange reis naar een onbekende bestemming en de terugreis naar huis (vader/moeder, geliefde, kind, god, dood).
Wandelen is dus een manier om de levensloop inhoud en betekenis te geven. Het is een vorm van lezen, vergelijkbaar met zingen. Ooit was zingen een vorm van voorlezen, bedoeld om de tekst beter te onthouden (want er was nog geen schrift, laat staan muzieknoten). Het zingen geeft toon en betekenis aan de tekst, draagt de tekst over, zorgt voor het behoud en de toegankelijkheid van de tekst. Wandelen is een manier om het landschap te lezen, en zorgt voor het behoud en de toegankelijkheid van het landschap. Het landschap kun je lezen als een tekst. De Aboriginals van Australië zongen liederen bij het wandelen (songlines). De tekst van de liederen beschreef het landschap en de mythische betekenissen, maar ook hoe ze moesten lopen. Het zingen was dus een manier om het landschap te begrijpen en de weg te weten.
In tegenstelling tot hard lopen of nog sneller bewegen (fietsen, auto rijden) geeft het wandelen ruimte aan de eigen betekenissen en verhalen van het landschap. Hoe sneller je beweegt, hoe meer je betekenissen op gaat dringen aan het landschap. Tenslotte worden de verhalen van het landschap begraven onder asfalt en beton of vernietigd door ruilverkavelingen en de z.g. nieuwe natuur. Inmiddels hebben we zoveel verhalen verwoest, dat we kunstmatige verhalen gaan verzinnen en van het landschap een pretpark of museum maken. We gaan weer pelgrims-paden en marskramerspaden ontwerpen, die er vroeger nooit geweest zijn.
Het wandelen laat de verhalen van het landschap spreken, mits de wandelaar in staat is te luisteren en te observeren (goed te lezen). De manier van wandelen en het kunnen opnemen van de betekenissen en verhalen van het landschap, wordt mogelijk gemaakt door de cadans van het wandelen (links/rechts): het fysieke ritme van de wandelbeweging, de ademhaling en de hartslag. Net als bij het zingen en muziek maken, is het ritme van het wandelen het basisritme waarom heen de melodie ontstaat. Wat de melodie is voor de muziek, is het verhaal dat de wandelaar in het landschap leest. Het is wel belangrijk dat de ademhaling en hartslag ook werkelijk in cadans zijn. Dat vergt oefening. Net als zingen en voorlezen, is wandelen ook een kunst.
Het bijzondere van het wandelritme is dat er tijdens dit ritme een ruime interval (tussenruimte) ontstaat. Dat is een lege ruimte, een stilte of rustpunt in het midden van de beweging. Je kunt ook zeggen dat het wandelritme een manier is om de stilte (de leegte) af te bakenen en vorm te geven. In en vanuit die leegte/stilte/rust ontstaan de betekenissen; de melodie en de verhalen. Wandelen is in deze zin een keuze voor de leegte, de stilte. Wandelen beweegt zich als vanzelf naar deze leegte. Hoe sneller het ritme (rennen), hoe meer de stilte verdwijnt. Tenslotte is het ritme van de benzinemotor alleen nog maar lawaai geworden, waarmee het landschap vervuild wordt. Het landschap is letterlijk monddood gemaakt.
Doordat het wandelritme de leegte opzoekt en toelaat, is het wandelen doelloos. Het wandelen zoekt de stilte/leegte op, om van daaruit de betekenissen en de verhalen van het landschap te beleven. Daarom is wandelen altijd een zekere vorm van ‘afzien’. Nescio noemt het ‘versterven’, wat zijn alter ego’s Bavinck en de Uitvreter zo goed kunnen. Liever mist of een winderige regendag op een polderdijk, dan een zomerzondag bij Lage Vuursche. Liever rafelranden van steden dan recreatieparken. Liever struinpaden dan gemarkeerde routes. Liever wat verveling en herhaling, dan de verplichte ‘verrassende attracties’. Wandelen moet door een ‘dood punt’ heen, voorbij de doodlopende weg of (bij wijze van spreken) het bordje verboden toegang of een bokkige jachtopziener.
De doelloze wandelaar laat de leegte toe, kiest en aanvaardt het negatief als achtergrond (in plaats van een routekaartje) om, lopend een nieuw positief terug te vinden in het landschap en ook in zijn eigen leven. In de leegte van de wandelaar kunnen namelijk betekenissen en verhalen op chaotische wijze door elkaar gaan lopen. Het landschap kan een metafoor (uitbeelding) worden van het eigen levensverhaal, het eigen lichaam (of omgekeerd). Een geschreven tekst kan een landschap worden, of zelfs een lichaam. Het ‘woord kan vlees worden’. Het landschap kan erotische, duivelse of religieuze betekenissen krijgen. Zo kan de wandelaar moeiteloos transformeren in een pelgrim, een verliefde of een nomade.
Daarom is de leegte riskant, en hebben de meeste wandelaars liever een routeboekje of een gids bij de hand. De rood-witte markeringen van een lange-afstand-wandelpad (bijv. Pieterpad) geven meer zekerheid. Of je loopt gehuld in de veilige koestering van de groep (een wandelreis van de SNP of tijdens de Vierdaagse). Dubbele betekenissen zijn ongewenst! Het is de ‘positieve benadering’, voor als het mooi weer is. Natuurlijk verschijnt ook bij deze wandelaars de leegte, maar die wordt benoemd als vermoeidheid, angst, pech, lelijkheid. Het wordt een verwerpelijk negatief dat wordt vermeden, bestreden en verwijderd.
Doelloos wandelen kan echter ook gevaarlijk zijn. De leegte kan te groot worden en omslaan in angst, wanhoop en paniek. Wandelen kan dan een manier worden om zich te willen losmaken van het landschap, het eigen lichaam en alle verhalen. Wandelen wordt een wandelgekte, een vlucht in een waanwereld. Wandelen is op deze manier juist een vlucht voor de leegte die te bedreigend is. In de psychiatrie is wandelgekte een begrip geworden. Ook kunnen tijdens het wandelen ziekten en allerlei ellende toeslaan met valkuilen, voetangels en klemmen. Een onoverkomelijk hek, een botte jachtopziener, een niet uitwijkende tegenligger. Maar de wandelaar is vrij, de jachtopziener niet.
Een wandelaar die de leegte toelaat en verwelkomt, begint aan zijn eigen scheppingsverhaal. Zijn aarde is ‘woest en ledig’. Slechts door te wandelen kan de woestheid vorm krijgen en zinvol worden. De woestijn (van zijn leven en zijn relaties, van de technocratie en de bio-industrie, van asfalt/beton, van een aangetast en afgesloten landschap) kan door te wandelen zinvol worden en vruchtbaar. De wandelaar die op reis gaat in de leegte, is een zoeker; hij probeert vanuit de leegte nieuwe betekenissen en verhalen te vinden. Hij probeert het Zinrijk te vinden; en weet nooit zeker of het Zinrijk, het eerste het beste café is, een ontroerend verhaal, de boer die eerste dreigde met een hooivork, maar hem nu uitnodigt op de koffie, een plotselinge lichtval, een toevallige ontmoeting, een gezichtsuitdrukking of een onverklaarbaar geluksgevoel
Net terug van 150 km rondhuppelen
Weer eens ons zuiden bekeken met onverklaarbaar geluksgevoel
teruggekomen zonder hoge bergen te hebben bedwongen, maar
toch met dit verhaaltje dat iets wat veel hoger kan, afdalen betekend,
en dus …..
Als ik de lichtstijgende weg aanvat, ben ik vol goede moed
en nieuwsgierig naar wat komen gaat.
Na de eerste zwaardere helling begin ik te beseffen
dat het grote inspanningen zal kosten om de top te bereiken.
Ik voel me echter nog fris en sterk, dus ga ik er tegenaan.
Gaandeweg wordt de vermoeidheid steeds groter
maar mijn wilskracht drijft me toch verder.
Soms denk ik wel eens:
waarom doe ik dit, waar ben ik aan begonnen?
Maar ik ben reeds te ver gekomen om nog terug te keren
en ondertussen is de top weer wat dichterbij gekomen.
Uiteindelijk boven gekomen,
word ik beloond met een fraai vergezicht
en met de voldoening iets bereikt te hebben.
Ik kijk naar de weg die ik afgelegd heb.
Een lange weg met veel obstakels,
maar hierboven lijkt dat alles al zo ver weg.
Er zijn nog hogere toppen te bereiken,
maar voor mij hoeft dat niet meer.
Ik ben tevreden met wat ik bereikt heb,
dus begin ik met een voldaan gevoel de afdaling.
Gezwind gaat het nu bergaf,
de inspanning en concentratie nodig voor de beklimming
maken plaats voor ontspanning en mijmeringen.
Gedachten over wat geweest is en wat nog komen gaat.
Hoe verder ik nu van de top verwijderd raak,
hoe meer ik terugdenk aan die momenten daar boven.
Toch geniet ik van de terugweg,
heb tijd om wat langer halt te houden en om
intenser te genieten van wat het leven te bieden heeft.
Terug in de vallei aangekomen,
lichamelijk vermoeid van de lange tocht,
geestelijk moe door de vele emoties en gedachten,
kijk ik nog eens naar boven en denk:
het is goed geweest, puf nu even uit
Zo, dit kon mijn toekomstige biografie zijn
(ik ben bezig aan de afdaling),
maar het was ‘maar’ een verzonnen bergtocht.
Er zit wel wat in, in die vergelijking, vind je niet Joop?
Groet en Alaaf
Groet Bert