In een poging om jullie een indruk te geven van de traagheid, de onbenulligheid én de rijkdom van het vaag-trekkende bestaan dat wij gemeenlijk leiden (of ook lijden?), hierbij een beknopte beschrijving van déze willekeurige (nog niet geheel voorbije) dag : Vanmorgen rond zevenen gingen de ogen al even los (de dag lijkt weer zonnig te krieken) maar kort na achten waren we pas écht het bed uit (de zon staat dan al op de overzijde van ‘ons’ veld) en hebben we beiden even lekker heet gedoucht. Tegen negenen ontbijten we –vandaag binnen- met het (nog warme) brood dat campinghouder Frank rond 8.40 uur op het tafeltje onder de luifel heeft neergelegd. Jam, diverse kaasjes, bospaddenstoelenpaté e.d. er op en thee er bij.
Even na tienen drinken we, inmiddels ook mentaal geheel ‘OP’, koffie buiten in de ochtendzon; het is nog pas hooguit 18 graden en er is nog enige rijpachtige douw op ’t gras te ontwaren. We besluiten naar de markt te fietsen in het meest nabije stadje ‘Chateaumeillant’ (9 km.^ en v) en daar tevens de lunch en de warme maaltijd voor vandaag in te kopen (deels in de ‘Intermarché’ ter plekke). Aansluitend fietsten we dóór door diverse dorpjes en over de (práchtige!) heuvels; waarbij we in een geeldroge berm met fraai uitzicht en in de volle zon bij wijze van lunch (met behulp van Hanneke’s zakmes) een knapperig vers stokbrood belegden met een exquise kaasje.

Zo rond 15.00 uur en met een kleine dertig flink heuvelende kilometers achter de gepeesde kuiten, kwamen we weer bij ons minuscule doch uiterst behaaglijke sleurhutje aan. Rondom dit hutje is het kwik inmiddels boven de 25 graden gestegen, hetgeen ons doet besluiten – los van een kledingwasje en ander klein huiselijk gefröbel- onder de notenboom neer te strijken en ons te voorzien van koele witte wijn, wat blokjes kaas, enkele stukjes blauwkaasworst en wat groene olijven. Een uurtje of twee later schudden wij onze halfdut-in-aansluiting-op-het-boek af om rond zevenen aan te schuiven aan de (buiten-)dis: dit keer een spaghettiachtige pasta met gerookte zalm in een sinaasappel(schil)/peterselieroomsaus, fleurig begeleid door een eveneens zéér geslaagde Muscadet en afgerond met in kwark ondergedompelde gisteren nog vers geplukte bramen. Ik schrijf dit stukje terwijl wij zojuist ( ca. 8.30 uur) binnen zijn gaan zitten uitbuiken met een mok hete koffie in het knuistje. Is dit nu wel léven? Ik weet het niet, produceert u zélf gerust enige mening. Bestáán, dat is het zéker. En ik kan dat weten – ik ben erváringsdeskundige!
DE LENTE WAS VOORBIJ EN DE ZOMER OOK ……….
Het blaadje Freddie was groot geworden. Zijn bladschijf was breed en sterk en zijn vijf lobben waren stevig en puntig.
Die lente was hij daar opeens, een klein groen blaadje aan een tamelijk grote tak vlakbij de top van een hoge boom.
Hij werd omringd door honderden andere blaadjes die er net zo uitzagen als hij, zo leek het tenminste. Hij ontdekte al gauw dat er geen twee blaadjes hetzelfde waren, ook al zaten zij aan dezelfde boom.
Het blaadje naast hem heette Alfred. Het blaadje rechts van hem was Ben, en Klaartje was het alleraardigste blaadje boven hem.
Ze waren allemaal samen opgegroeid. Ze hadden geleerd om te dansen in de lentebriesjes, zich lui te koesteren in het zomerzonnetje en zich schoon te wassen in de verkoelende regenbuien.
Maar Freddies beste vriend was toch wel Daniël. Hij was het grootste blad en het leek wel of hij daar al was vóór ieder ander blad.
Freddie ontdekte dat Daniël ook de wijste van allemaal was. Daniël was het die vertelde dat ze een deel van een boom waren. Daniël was het die uitlegde dat ze in een park groeiden en die hun vertelde dat de boom stevige wortels had die verborgen waren in de grond beneden.
Hij gaf uitleg over de vogels die ’s morgens op hun tak zaten te zingen. En over de zon, de maan, de sterren en de seizoenen. Freddie vond het fijn om een blaadje te zijn. Hij hield van zijn tak, van zijn vriendjes, de andere blaadjes, van zijn plaats hoog in de lucht, van de wind die met hem speelde, van de zonnestralen die hem verwarmden, en de maan die hem bedekte met zachte, witte schaduwen.
Vooral de zomer was fijn geweest. De lange hete dagen voelden goed en de warme nachten waren vredig en dromerig.
Er waren veel mensen in het park die zomer. Zij kwamen vaak onder Freddies boom zitten. Daniël vertelde dat het geven van schaduw een deel van zijn bestemming was.
“Wat is een bestemming?” had Freddie gevraagd. “Iets dat jouw leven zin geeft” had Daniël geantwoord. “Dingen prettiger maken voor anderen geeft jouw leven zin.
Schaduw maken voor oude mensen die de hitte in hun huizen komen ontvluchten, geeft jouw leven zin. Zorgen voor een koele plaats waar kinderen kunnen komen spelen. Mensen die komen picknicken koelte toe wuiven. Dat zijn allemaal zaken die jouw leven zin geven.
Freddie hield vooral van de oude mensen. Ze zaten zo rustig op het koele gras en ze bewogen nauwelijks. Ze spraken fluisterend over lang vervlogen tijden.
De kinderen waren ook grappig, al maakten ze soms gaten in de bast van de boom of kerfden hun namen er in. Toch was het leuk om ze zien hoe snel ze bewogen en hoeveel ze lachten.
Maar Freddies zomer ging snel voorbij.
De zomer verdween in een oktobernacht. Freddie had het nog nooit zo koud gehad. Alle bladeren huiverden van de kou. Ze waren bedekt met een dun wit laagje, dat weldra smolt en hun doordrenkt met dauw en sprankelend in de ochtendzon achterliet.
Weer was het Daniël die uitlegde dat ze hun eerste vorst meegemaakt hadden. Het teken dat het herfst was en dat de winter spoedig zou komen.
Bijna meteen veranderde de hele boom, of eigenlijk het hele park in een zee van kleuren. Er was bijna geen groen blaadje over. Alfred was donker geel geworden. Ben helder oranje en Klaartje vlammend rood. Daniël was nu diep paars en Freddie rood en goud en blauw. Wat zagen ze er allemaal prachtig uit. Freddie en zijn vriendjes hadden van hun boom een regenboog gemaakt.
“Waarom hebben we allemaal verschillende kleuren gekregen”, vroeg Freddie, “als we allemaal aan dezelfde boom zitten?” “We zijn allemaal verschillend. We hebben allemaal andere dingen meegemaakt. We hebben verschillend naar de zon gekeken.We hebben op verschillende manieren voor schaduw gezorgd. Waarom zouden we geen verschillende kleuren hebben?” zei Daniël nuchter. Daniël vertelde Freddie dat dit schitterende seizoen herfst genoemd werd.
Op een dag gebeurde er iets heel vreemds. Dezelfde briesjes die hen in het verleden hadden laten dansen, begonnen aan hun stengels te duwen en te trekken, bijna alsof ze boos waren. Hierdoor werden enkele blaadjes van hun takken gerukt en meegesleurd in de wind. Ze werden alle kanten op geblazen en vielen zachtjes op de grond.
Alle bladeren werden bang. “Wat gebeurt er?” vroegen zij elkaar fluisterend. “Dit gebeurt altijd in de herfst,” vertelde Daniël hun. “Het is de tijd voor bladeren om naar een andere plek te gaan.Sommige mensen noemen het “sterven”. “Zullen we allemaal sterven”, vroeg Freddie? “Ja”, antwoordde Daniël “Iedereen sterft.
Het doet er niet toe hoe groot of klein, hoe zwak of sterk. We doen eerst ons werk. We ervaren de zon en de maan, de wind en de regen. We leren dansen en lachen. Dan sterven we.
“Ik sterf niet!” zei Freddie vastberaden, “En jij Daniël?” “Ik wel” antwoordde Daniël. “Wanneer het mijn tijd is”. “Wanneer is dat?” vroeg Freddie. “Dat weet niemand zeker.”, antwoordde Daniël.
Freddie merkte dat de andere bladeren bleven vallen. Hij dacht dat het wel hun tijd zou zijn. Hij zag dat sommige bladeren zich verzetten tegen de wind voordat ze vielen, andere lieten zich gewoon gaan en vielen kalm omlaag. Weldra was de boom bijna kaal.
“Ik ben bang om te sterven” zei Freddie tegen Daniël. “Ik weet niet hoe het daar beneden is”. “We zijn allemaal bang voor dat wat we niet kennen, Freddie, dat is natuurlijk”. stelde Daniël hem gerust. “Toch was je niet bang toen de lente zomer werd. Je was niet bang toen de zomer herfst werd. Het waren natuurlijke veranderingen. Waarom zou je bang zijn van het seizoen van de dood?” “Gaat de boom ook dood?” vroeg Freddie. “Op een dag wel.
Maar er is iets dat sterker is dan de boom. Dat is het leven. Dat duurt voor eeuwig, en wij zijn allemaal een deel van het leven.” “Waar gaan we heen als we sterven?” “Dat weet niemand zeker, dat is het grote mysterie!” “Komen we weer terug als het lente wordt?” “Wij misschien niet, maar het leven wel.” “Wat is dan de reden voor dit alles geweest?” bleef Freddie vragen. “Waarom waren we hier eigenlijk als we alleen maar vallen en sterven?” Daniel antwoordde op zijn vanzelfsprekende manier, “Het was vanwege de zon en de maan. Het was vanwege de gelukkige tijden samen.
Het was vanwege de schaduw en de oude mensen en de kinderen.
Het was vanwege kleuren in de herfst. Het was vanwege seizoenen. Zijn dat niet genoeg redenen?
Die middag, in het gouden licht van de avondschemering, liet Daniël zich gaan. Hij viel moeiteloos. Het leek alsof hij vredig glimlachte toen hij viel. “Tot ziens, Freddie.” zei hij.
Toen was Freddie alleen. Het enige blad dat nog over was aan zijn tak.
De volgende morgen viel de eerste sneeuw. Het was zacht, wit en teer; maar het was bitter koud. Er was die dag nauwelijks zon en de dag was erg kort. Freddie ontdekte dat hij zijn kleur verloor en broos werd. Het was nog steeds koud en de sneeuw woog zwaar op hem.
Bij het aanbreken van de dag, kwam de wind die Freddie van zijn tak haalde. Het deed helemaal geen pijn. Hij voelde hoe hij rustig, kalm en zachtjes naar beneden dwarrelde.
Toen hij viel, zag hij de boom voor het eerst helemaal. Wat was hij sterk en stevig. Freddie wist zeker dat de boom nog lang zou leven en hij wist ook dat hij deel had uitgemaakt van dat leven en daar was hij trots op.
Freddie landde op een sneeuwbult. Die voelde op de een of andere manier zacht en zelfs warm aan.
Hij had zich nog nooit zo prettig gevoeld. Hij deed zijn ogen dicht en viel in slaap. Hij wist niet dat de winter gevolgd zou worden door de lente en dat de sneeuw zou smelten tot water. Hij wist niet dat hij, nu een schijnbaar nutteloos verdroogd blad, zou oplossen in dat water en zou dienen als voedsel voor de boom.
En wat hij al helemaal niet wist, was dat er , slapend in de boom en in de grond, alweer plannen waren voor nieuwe blaadjes in de lente.